Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

We moeten een gezellig tafereel gevormd hebben, iets warms, iets intiems uitstralend voor wie er naar keek — we waren zoo gelukkig gestemd.

Toen kwam onverwacht vroeg, vaalbleek, afgemat, Jan's vader thuis. Bijna ontsteld bleef hij voor ons staan en het was alsof wij allen een dergelijke gewaarwording ondervonden tot Jan opsprong en zijn vader zich herstelde.

Hij boog. „Jan, wil je me eens presenteeren? ik zou de dames die zoo lief voor je zijn, gaarne willen bedanken." Om Jan bedwong ik mijn verbazing. Paula keek voor zicb.

„Mijn vader heet van Overaert" begon Jan bijna verlegen

„maar maar ik weet eigenlijk niet hoe U heet — ik hoorde

U alleen eikaars voornamen noemen...."

De vader lachte en wij ook.

„Wij zijn de dames Sassen en we hebben een recht prettigen dag gehad met uw kleinen jongen," hielp ik.

Een wolk trok weer even over zijn gezicht, „dien had ik ook kunnen hebben," dacht hij zeker.

Hij wendde zicb tot Paula, „mag ik dit voor onze eerste kennismaking houden?" vroeg hij ernstig en bescheiden.

Paula glimlachte flauw, wees hem een stoel aan met beminnelijk gebaar. Jan keek verbaasd.

Van Overaert zag het, begreep ons zwijgen.

„Komt U een oogenblik bij ons zitten," noodde ook ik — om Jan, „dan zullen we U vertellen wat we gezien hebben."

En daar zaten we dan met den „naren man" en Paula schonk bem tbee en Jan bediende hem van cake en 't was alsof het hem goed deed. De kleur kwam weer op zijn gezicht terug, hij gleed even dieper ia zijn stoel, waar tegen Jan leunde. Het kind was stil, liet hem aan 't woord, keek van den een naar den ander.

De Heer van Overaert viel zeer mee, zijn stem klonk aangenaam en wat hij zei was eenvoudig. Hij kon ook niet slecht zijn, Jan hield immers van hem? en iets van al 't goede, dat we in 't kind opmerkten, zou in den vader toch ook wel aanwezig zijn.

In het park van Monte Carlo, met de vreemde boomen en planten, de schitterende bloemen, de ongeëvenaarde gazons

Sluiten