Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

„Of op het plat dak, dan zie je de hei over de bosschen en de andere lagere heuvels heen." „Leuk!"

„Als je vader het goed vind, zou het ons pleizier doen, als je in je vacantie, eens een poos bij ons kwam. Zou je daar lust in hebben?"

„O, lievert!" roept Jan met een verrukking, alsof hem het Paradijs beloofd werd. Hij vraagt niet of het mag, maar wel om zijn gevoel te deelen: „Vader — hoe vindt je 't?"

„Te mooi, U weet niet wat U zich op den hals zoudt halen," zegt Overaert.

„We kennen elkaar nu wel zoo'n beetje," stelt Sidonie gerust. „Houdt U ook eenden?" „Ik geloof het wel."

„Wat? weet U dat niet eens? Voert U ze nooit zelf? Wat voor dieren hebt IJ nog meer?" „Een oude hond." „Anders niet?" „Kippen." „Nog meer?" „Een paard."

„O, een paard! en dat zegt U nu pas!" gilt Jan bijna uit.

„Wat voor een is 'ter?"

„Doodgewoon bruin en het doet alle werk."

„Wat voor werk?"

„Ons naar het station brengen of logee's halen, naar Arnhem gaan of voor den tuinman-koetsier grasdragen of hout." Jan tracht zich goed in den toestand in te denken." „Dus U hebt een rijtuig ook? „Ja."

„Is het huis groot?" „Neen."

„Hoeveel kamers zijn er?"

„Jongen ben je niet wat onbescheiden?" waarschuwt van Overaert.

„Ik mag 'twel weten, nietwaar?" zegt hij gemoedelijk. „U van ons ook wel; wij hebben er negen; de tuin heeft hooge muren

Sluiten