Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

Holland noemen, weiland in een vallei waar de Var door heen loopt, maar ik vind dat het er net zooveel van heeft als je auto van een kinderwagen, ze hebben allebei wielen — dat is alles!"

„Zijn jullie wegen goed?"

„Prachtig! de mooiste die er bestaan, alleen — je kunt elkaar niet overal passeeren," voegt hij er in zich zelf bij.

„Ik zal er nog wel eens komen, de baas gaat van den zomer naar Brussel."

„Kom je ook in Amsterdam? daar woon ik."

„Natuurlijk, zoo vlak bij en dan is er nog een stad, Haag niet waar?"

Jan schiet in den lach.

„Ja, en zelfs nóg een, dat is Medemblik — daar kom jij zeker."

„Métemblique ?" herhaalt de Italiaan.

Jan schudt heen en weer van 't lachen.

„Nu wat heb je? sla er niet uit alsjeblieft."

„O neen, houd stil! laat me er uit! ik kan niet meer!"

De auto stopt.

„We zijn toch al voorbij Garavan, ik dank je wel Alfredo, maar ....als je bij ons komt mag je wel een dubbele rem laten maken." „Waarom?"

„Wel anders heb je te veel vaart, dan kan je van Amsterdam komende in den Haag niet stoppen en ga je regelrecht de zee in, Bonjour!"

Alfredo Montei kijkt een beetje verbluft, en gonst verder.

Wie een uur later den zelfden weg voorbij komt over den Pont Saint-Louis, ziet, als hij zijn oog toevallig omhoog richt iets vreemds tegen den rotswand.

Het is zoo hoog, dat men niet goed kan onderscheiden wat het is.

De grens wordt er gevormd door een diepe kloof, waarover de brug ligt en waaruit aan beide zijden steile, schijnbaar ontoegankelijke rotsen oprijzen. Een paar italiaansche werklieden blijven staan, een wandelaar voegt zich bij hen, een tweede gaat op den muur zitten om op zijn gemak te kijken.

Sluiten