Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

,,'t Is iets wits, ze hebben er een vlag geplant," meent een. „Hoe zijn ze er gekomen?" overdenkt een ander. Een leege auto houdt stil, de chauffeur vraagt wat er te zien is.

„Ja, dat weten we niet, het is op de rots daar...."

„Het verplaatst zich, er loopt iemand."

„Onmogelijk, daar is geen weg."

„Er is een goot."

„Nu, dan zit hij er in."

„Hij loopt."

„Christi, hoe gevaarlijk!"

Een rijiuig met twee dames erin komt van Garavan. 't Zijn Sidonie en Paula. De koetsier houdt stil, kijkt ook.

Alle hoofden zijn opgeheven naar de steilte omboog, waar werkelijk iemand heen en weer beweegt.

Een douane komt met een kijker.

,,'t Is geen man, 't is een kind! Het beeft een sportblouse aan, het danst in de goot en die is toch waarlijk niet breeder dan mijn hand. Stommeling, moet je naar beneden vallen? Hij wuift ons toe met zijn zakdoek."

„Hij kan zeker niet verder."

„Wie gaat bem halen?"

Een van de Italianen maakt zich los van de groep, naar den kant van Grimaldi.

„Ho, hij zit aan den anderen kant, je moet er bij Garavan op, bij...."

„Wacht eens even," roept de douane. „Sacré nom d'un chien, hij houdt ons voor den gek! — bij staat op zijn hoofd. — Nu — als die bet er levend afbrengt!"

„Jan!" gilt Paula op eens in 't rijtuig, „dat moet Jan zijn!" en zakt meteen, bijna bewusteloos in de kussens terug.

Sidonie, hoewel ook geschrokken, ziet rond, of er ook iemand in aanmerking komt om eenig „sel volatil" aan te vragen.

De chauffeur misschien?

Hij komt nader, maar heeft alleen benzine aan te bieden. Een van de Italianen klopt met een vuile vuist herhaaldelijk in Paula's spierwitte handpalmen.

„Assez, je vous prie, je vous remercie beaucoup. eocher, a 1'hotel," beveelt Sidonie.

Sluiten