Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

De douane zoekt nog naar eau de vie maar het rijtuig keert en gaat snel den dalenden weg terug.

Als de belangstelling zich weer op de rots richt is de lichte vlek er op verdwenen.

„Neen, er is niets meer," zegt de douane met zijn kijker zoekend.

„Jean, Jean," repeteeren de toeschouwers, zich langzaam in de twee richtingen verdeelend.

„Die durft," zegt de heer op den muur „hij is niet gevallen."

„Waar is hij gebleven? wie is Jean?" vraagt men zich af.

Vroolijk fluitend, meer springend dan loopend daalt Jan door 't olijfbosch van Garavan, wel voldaan over het succes van zijn halsbrekende toeren want hij zag de zwarte stipjes op den weg beneden hem steeds vermeerderen, samenhoopen en hevig gebaren. Hij weet dat hij op dien afstand niet te herkennen was en is nieuwsgierig voor wien of voor wat ze hem gehouden hebben.

„Zoo — ben jij het niet geweest?" vraagt de portier hem bij 't binnenkomen. Jan proest het uit. „Wat geweest?"

De portier bedenkt het onvolledige van zijn vraag en zegt barsch: „nu, waar kom je van daan?" „Uit het olijfbosch."

„Mijn God ja, maar welk?" Er zijn er aan Cap Martin, er zijn er boven Menton, er zijn er op Garavan —je bent wel een halve duivel, maar je kunt toch niet overal tegelijk zijn."

„Comme vous m'appréciez aujourd'hui, cher Monsieur Bernard! Ochtend op ochtend ben ik aan den Eocher rouge geweest dat je me niets gevraagd hebt en nu stel je er opeens zoo'n belang in waar ik was."

„Jawel, 'k begrijp het al, je zult wel van Garavan komen — je bent tegen de rotsen geklauterd, waar geen fatsoenlijk mensch komt en de hollandsche dame is hier bewusteloos binnengedragen van den schrik."

„Wie?" stottert Jan ontdaan.

„Je weet het heel goed."

Hij vraagt niets meer, maar vliegt de ascenseur in, Arnold

Sluiten