Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FRANSCHE LETTERKUNDE.

de Lorette, het kerkhof, de suikerraffinaderij van Souchez. Poterloo die te Souchez woonde wil bet veroverde dorp bezichtigen. Met Barbusse trekt hij er op uit. Ze kruipen over asch en puin. De huizen liggen gelijk met den grond. Alleen een hoop vermorzelde steenen duidt hun plaats aan. Poterloo zoekt, zoekt. Zal hij nu, zelfs zijn eigen woning niet weervinden? Hier en daar ligt een schalieblauw lijk in de melkige morgenklaarte te rotten. Wanhopig staat Poterloo te midden het barbaarsche landschap, handenwringend, vloekend. Eindelijk toch herkent hij de omgeving, ontwaart de plek waar eens zijn huis stond. Met bovenmenschelijke inspanning gelukt hij er in zijn leed te verkroppen. Zijn weedom gedijt tot een Shakespeariaansche schoonheid. Eenvoudig weg, zegt hij:

— C'est quand y a plus rien qu'on comprend bien qu'on était heureux. Ah! était-on heureux!

En hij lacht. En 't geluid van dien onnatuurlijken, gevleugelden lach na die groote teleurstelling treft pijnlijker dan de vochtige brand van een traan. Barbusse sust hem, spreekt van zijn vrouw. Maar dan komt Poterloo met een wonderlijk avontuur voor de pinnen. Zijn vrouw vertoeft in Lens. Op een nacht is hij er in gelukt de waakzaamheid der duitsche schildwachten te verschalken. Hij verkleedt zich. En met de medeplichtigheid van een vijandelijk soldaat dringt hij zonder ongevallen de lijnen door, geraakt in de stad, en komt voor het buis waar zijn vrouw nestelt. Een licht brandt achter een venster. Sluipvoets nadert hij 't raam. 't Is de woonkamer. En wat ziet hij ? Zijn vrouw aan tafel tusschen twee feldwebels, netjes opgedirkt, glimlachend „pas un sourire forcé, pas un sourire qui paye, non, un vrai sourire qui venait d'elle, et qu'elle donnait". En dan zijn kind dat op de knieën beproefde te klauteren van een der schurken en daarnaast „Madeleine Vandaêrt, la femme de Vandaêrt, mon copain de la 19e, qui a été tué a la Marne, a Montyon."

Maar weerom lacht hij zijn leed weg. Hij peinst, babbelt, jokt, buldert. Niettegenstaande hetgeen hij gezien heeft, koestert hij betrouwen in zijn zijn vrouw, de blonde Clotilde. Hij bouwt zelfs lucht kasteelen.

— Faudra tout r'faire. Eh bien, ou refera. La maison? Partie. Le jardin? Plus nulle part. Eh bien, ou refera la maison. On refera

Sluiten