Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

Een paard werd geroskamd op straat, een klein dik diertje wien de ruige manen over de zachtglanzende oogen hingen.

Een blauwe walm overdekte een oogenblik het heele dorp. Het rook naar gebraden vet. Het kwam van een oven, zoo maar aan den weg. Daar bakte een vrouw koeken, terwijl groote, ronde brooden nog op het vuur te wachten lagen. Donkerlokkige Italiaansche kinderen,schilderachtig in hun vuilheid,stonden erom heen met een kwijlenden hond. Jan bleef ook toezien, zoo belangstellend dat de vrouw hem een grooten koek voorhield, iets onverstaanbaars prevelend. Jan bood haar eenige sous aan en de vrouw nam die lachend, plukte een blad van den plataanboom boven haar en legde daarop den koek in Jan's hand.

Zwijgend keken de kinderen naar het vreemde, blond-blanke wezen dat zich zoo iets verschaffen kon.

Hij brak een stukje van het gebak af om te proeven; hij moest toch alles onderzoeken, ook al leek hem de zindelijkheid wel wat verdacht. Hij knikte de vrouw toe alsof hij het wel lekker vond en stopte de Grimaldische lekkernij snel in de handen der kinderen.

Hij boog het hoofd om het lachen te verbergen en verder gaande spuwde hij den onsmakelijken kost, voorbij de bocht van den weg, gauw uit. Eechtsom nam hij het smalle bergpad. Een man met een bos gras op bet hoofd, kon hij nauwlijks passeeren. Den weg kon hij niet vragen, hij verstond geen woord van de taal. De streek was niet eenzaam, hij speelde met honden en geiten. Toen kwam hij weer door een gehucht.

Een vrouw leunde over het lage balkon van een dier armelijke huizen. Ze had een stroohoed op en een zoo stralend-lief gezicht keek er onder uit, dat Jan bleef stilstaan en haar vroeg: Madame, wilt U mij zeggen hoe het hier heet ? Wat gaf ze zich een moeite om fransch te spreken, deze vorstelijke Italiaansche. Hoe bevallig boog ze zich over den houten rand, maar de hand die er op leunde was vereelt door arbeid en zwart in nagels en naden.

„Les Ciotti," meende Jan te verstaan, ja, het hoogst gelegen Ciotti kon het zijn. Hij dankte groetend en zij boog terug en hij zag nog eens om, om dien liefelijken glimlach weer te ontmoeten. Hij steeg en steeg aldoor. Het laatste huis had hij reeds lang achter zich gelaten, toen ook den laatsten boom. Hij ontmoette

Sluiten