Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

In de verte ruischte de zee en blinkerden lichtjes op de witte koppen der golven. Hoe frisch was de lucht, waarin de geur van mimosa tot hem opsteeg. Hij bleef staan in gedachten, zóó lang, dat Jan de dekens hooger optrok en zijn oogen dicht vielen.

„Nacht Vader," prevelde hij nog even toen van Overaert zich over hem heen boog en de hand nog eens aan pols en voorhoofd bracht.

Toen het dag was danste Jan op stelten over den boulevard.

„Zie toch eens, bij is heelemaal beter" riep Paula verheugd, mij voor het venster trekkend, terwijl ik nog bezig was mijn japon vast te maken.

„Moet je niet naar het ziekenhuis?" riep de portier plagend door 't hek.

„Hè?" kwam Jan verbaasd.

„Ja, ik dacht dat je roodvonk bad?"

„Dat dacht ik gisteren ook, maar van daag niet meer." |„Des te beter, maar je moet niet zoolang in de zon loopen" vermaande de vriend.

Jan haalde een stelt omhoog en dreigde hem er mee, trippelend op de andere.

Yvonne, voor de ramen der ontbijtzaal, schaterde het uit.

„Altijd wat anders met hem" lachte de ober.

Van Overaert kwam buiten, ging, als gewoonlijk naar het station. Jan naast hem, hoog boven hem uit:

„Jongen, zul je nu verstandig zijn en niet meer zoo lang wandelen? je merkt de vermoeienis pas als het te laat is?"

Jan beende op eens met reuzenpassen voor zijn vader uit, maakte toen een dansje om hem heen.

„Als ik nu nog ziek was, zou je dan thuis blijven?" vroeg hij.

„Als — hoe. kan ik dat zeggen! je bent niet ziek, maar je gaat niet verder dan den Eocher rouge, begrepen?"

„Jasses, U bestemt mij geloof ik voor 't museum van Albert, ik versteen daar en wat wordt U in uw eeuwige Monte Carlo?"

„Begin je weer te zeuren? Je bent bovendien wispelturig; eerst dweepte je met de grottenrots en nu "

„Jawel, U bent trouwer aan Monte Carlo, veel pleizier!" riep Jan ongewoon bitter, hield een stelt een oogenblik zegenend

in 4

Sluiten