Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

Jan en Yvonne duwden den rolstoel van den jongen Franschman over den boulevard. Eigenlijk duwden de sterke armen van Jan alleen en gehoorzaam volgde hij het „a gauche s'il vous plait," „arrêtez, je vous prie; faites passer 1'automobile."

Het was de hooge auto van het Cookgezelsehap dat van Nice kwam, die den grond deed dreunen, en met zijn drie zitplaatsen naast elkaar buitengewoon veel ruimte innam. Jan stuurde vlak naast den trottoirband en plaatste zich tusschen den stoel en de twee elkaar passeerende auto's, Yvonne bleef er achter „N'aie pas peur oncle Jules, Jean est la," stelde ze gerust.

Oom lachte en riep:

„Vive la Hollande!"

Voort gingen ze weer naar den jardin, zochten een schaduwplek waar oom de muziek kon hooren en de menschen zien. Yvonne bleef bij hem zitten op de bank. Jan ging terug.

„Vergeet me straks niet, Jan!" riep arme Jules, die aaneen zenuwverlamming leed, hem na.

„Nooit" beloofde Jan, zijn muts zwaaiende.

Le petit farceur hollandais genoot een groot vertrouwen. Een van de eerste keeren dat Jules alleen was achtergelaten in schaduw der palmen op het grind van den tuin, was de zon gekomen en schitterde zoo fel op de witte bladen van het boek, dat hij niet lezen kon. Hij keek rond naar iemand, die hem zou kunnen verplaatsen. Er was niemand dan het stevige blonde kind, dat vuursteenen zocht. Jan kon de vonken niet zien als hij ze tegen elkaar sloeg, maar hij rook er aan en stak ze dan tevreden in zijn zak.

Och, dat hulpelooze! Hoe lang zou het nog moeten duren? zuchtte Jules.

De jongen keek op, zag de knippende oogen, de zon op het boek en de moedelooze houding. Hij begreep. „Est-ce que le soleil vous gêne, monsieur?" „Beaucoup."

„Zal ik u wat verschuiven?"

De lijder glimlachte. „Zou je 't kunnen?"

Jan kreeg een kleur.

„Voyons", hij greep de leuning van den stoel en werd nog rooder en duwde, keerde, zoo krachtig en voorzichtig mogelijk.

Sluiten