Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAN.

„Ik zal het hem zeggen" zei Jan verheugd en liep naar den tuin terug, waar van Overaert ernstig sprak met Sidonie. Hij stak den arm door dien van zijn vader, hief het blijde gezicht naar hem op en kondigde aan:

„Er is niemand boos op je — ik heb het gevraagd, Juffrouw Sidonie ook niet."

„Hoe kom je erbij?" lachte die gul en presenteerde hem uit haar doos met vruchten.

Van Overaert glimlachte licht verlegen, maar met een warmen blik naar Jan en hij stak den weg over naar den strandmuur waarbij Paula stond.

„Is Jan mijn voorspraak geweest?" vroeg hij.

„Dat was heusch niet noodig," antwoordde ze vriendelijk.

Toen liepen ze samen verder, terwijl de zon onderging achter Cap Martin, dat somber, scherp zich teekende in zee en lucht.

Aan den oostkant tegen de haven blonk nog zonneweerschijn.

Toen doofde langzaam ook de gloed der zee en kil was de wind die er uit opstak.

Van Overaert scheen het niet te bespeuren, hij liep verder en verder. Paula trok haar veeren boa dichter om zich heen.

Hij dacht en dacht en voelde zich zoo nederig dat hij niet wist hoe te spreken.

Ze waren voorbij het bewoonde Menton, twee eenzame figuren aan de tegen de steenen klotsende zee.

Hij nam haar arm in den zijnen en toen ze dien niet terug trok vroeg hij eenvoudig:

„Wil je me ook verder helpen Paula? en voor Jan zorgen — met mij?" ,

Ze wist het, ze had het voorzien, ze had het zoo gewild na veel nadenken. Nu kwam een gevoel van rust over haar.

„Ik wil het heel gaarne Henri."

„Ik zal je niet altijd zooveel moeite geven" fluisterde hij nauwelijks boven 't zeegeruisch uit.

Ze keerden om, het was geheel donker.

Slechts één gedaante teekende zich af tegen de eerste lantaarn van Menton. Het was een kleine figuur, die snel nader kwam.

Zij sprong, zij danste, zij zwaaide met iets, zij kwam naar hen toe en beiden riepen: „het is Jan!"

Sluiten