Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEVLOEKTE LAND.

zich, het gezicht kreeg een vastbesloten uitdrukking en de vuisten balden in de builende zakken van de broek.

En 't volgende jaar zou hij ook meer met kunstmest gaan werken, 't Proefje voldeed hem goed, en als je bij Welsing zag, dan moest je 't wel aannemen, dat je d'r schier wonderen mee kon doen.

Welsing had 't nu al jaren. Nu, die kon 't ook betalen. Maar 't bracht best z'n geld weer op. Z'n geld? Meer, veel meer. Hij zag 't aan z'n eigen proefje. Hij had maar een paar zakjes gebruikt en dadelik kende je de vrucht uit de andere.

Als deze oogst gelukte, zou hij zeker geld genoeg hebben om 't volgende jaar z'n bescheiden pachtgrondje er mee te kunnen verzorgen.

Gert-Jan stapte 't paadje langs de aardappelen af, stond bij z'n bieten en voerplanten. Goed ging ook dat — 't weer was ook kostelik. Straks zou hij knollen zaaien als de aardappelen gerooid lagen, dan hadden de hazen meteen wat voer. Hij zag, dat ze er waren aan de bevreten mangelkoppen. Dat moesten ze nu toch niet doen, dat gaf scha, maar toch grunnikte hij even. Er moesten wel veel wezen, en 't zou wel lonen er in de voorwinter es op uit te trekken om een paar schoten te wagen.

Langs de akker van Hip-Harm ging hij voort, aanzag ternauwernood 't verwaarloosde gedoe — onkruid, dat de vrucht verstikte, ritnaald, die de plant deed verkwijnen — hij wilde nog even zien naar Welsings land.

Over een slootje, door een wal akkermaalshout, hij stond voor 't veld. De zon schuinde over 't gebogen koren, gloeide het in prinkelend goud. Gert-Jan hield een wijle de hand voor 't gezicht en staarde voor zich.

Dat was gewas! Eeusachtig gewas! Welsing wist wat hij deed, en die kon wat hij wilde. Die had het nergens voor te laten.

Gert-Jan wreef een aar tussen z'n vereelte vingers, telde de korrels, proefde ze.

Beter kon het niet. 't Was een gewas dat goud in zou brengen. Dat van hem was goed, maar 't was nog niets bij dit.

Dat priemde hem. Niet dat Welsing best koren had, o, dat kon hij best verdragen, maar dat 't van hem zooveel minder was, minder moest zijn, omdat hij 't land niet kon geven, wat Welsing deed.

Sluiten