Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEVLOEKTE LAND.

ooit had gehoord. Dan misschien zou hij kunnen leven een heel nieuw leven.

Maar aanstonds voelde hij, dat het niet kon.

Hij kon niet weg, niet weg van 't huisje, waarin z'n moeder had geleefd, niet weg van het land, waarop hij zo menig zweetdroppel had vergoten.

Hij kon niet — nee, hij kon niet.

De genodigden waren opgestaan, gereed om te vertrekken. Ze kwamen op Gert-Jan toe, boden hem de hand en goede troost.

Gert-Jan zag om zich als verdwaasd, 't Was of hij eensklaps een vreemd schouwspel voor zich zag, waarin hier en daar bekende beelden, bekende gezichten opdoken. Hij drukte de toegestoken handen en mompelende van dank.

Vemme en h'r man waren nog gebleven, zaten houterig en ongewoon aan de wanordelike dis.

De stilte druiste om gedrieën neer.

— We moeten es spreken, Gert-Jan, begon eindelik Vemme, h'r keel schrapend als kostte elk woord h'r grote moeite. —

— We moeten es spreken — dat moet toch, en dan maar hoe eer hoe beter.

Garmt, h'r man, knikte en speelde met wat broodkruimels. Vemme moest maar begaan, die was flink genoeg, zou best klaren, wat ze te zeggen had.

Gert-Jan hoorde nauwliks aan.

Vemme ging door, en al sprekende werd h'r tong rapper. Ze wou dan maar zeggen, dat nu moeder dood was zij en GertJan de enige erfgenamen waren, en dat zij 't nu 't beste vond, dadelik alles te bedisselen. Nawerk was maar nawerk en zij woonde heel in Gaarkenskoop en kon niet maar komen, wanneer ze wilde. Ze had zeven kinders thuis, moest hij bedenken, de een nog kleiner dan de ander, en zij moest mee poot-aan spelen, dat kon hij heel goed weten. Bij hen was 't geen rijkelui's gedoe. Zodat ze maar zeggen wilde, dat 't haar 't best voorkwam, moeders bezit aanstonds te verdelen.

Gert-Jan knikte en zweeg.

Vemme wachtte even, maar toen geen antwoord kwam, begon ze al vast te rommelen in 't kabinet, schikte en legde,

Sluiten