Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEVLOEKTE LAND.

— Zouden er dan niet meer komen?

O zeker zouden er komen. Er was nog een hoop tijd. Als Dinsdag de boel maar klaar was.

Toch, 't gaf een ongerust gevoel. Hoe meer kramen, hoe meer spullen, hoe mooier de kermis zou worden.

— Die werptent is er ook nog niet, bedacht Jan Willem, en 't rad van a ven tuur niet.

Elk van de jongens bedacht nu, wat er nog ontbrak en te meer ze opsomden, te heviger wies de angst, dat 't een erg dunne kermis ging worden. Gedurig aan vlogen hun blikken achterom.

Maar niets, niets — altijd niets.

In de middag kwamen ook de grote knechten en meiden kijken. Die maakten al jool of 't kermis was. In 't veerhuis werd een droppeltje geschonken, er werd gedanst en een van de kermisgasten speelde er op de harmonika.

Tegen de avend kwamen nog twee schepen aan. De grote werptent was het en het rad van aventuur. Nog meer schepen zouden komen, maar die zouden eerst heel laat er kunnen zijn.

Dat bericht stelde de jongens enigzins gerust. Als ze morgen wakker werden, zouden ze d'r zijn.

Vroeg waren ze de andere morgen uit de veren en weer aan de haven.

Maar zo vroeg waren ze niet of de kermisgasten hadden al karren opgeladen en duwden ze de weg op naar het dorp, waar rond de kerk de kermis zou worden opgezet. De veldwachter liep er rond met grote papieren in de hand. Hij deed geweldig deftig en had z'n sabel op zij, en dat had hij alleen bij heel enkele gelegenheden.

Hij las van de papieren, schrapte hier en daar wat met een vettig stompje potlood en wees de plaatsen aan, waar de kermisge timmer ten zouden verrijzen.

Was er soms geharrewar onder de mannen over 't mooie of minder mooie van een plaats, dan was hij er aanstonds bij, keek nog es in z'n papieren, en wees nog es aan. Daarmee hadden ze dan genoegen te nemen — en dat deden ze ook, al bromden ze wei es wat na.

Harmen Krieger week niet van z'n vader. Hij begreep, dat de veldwachter heel wat betekende nu, en dacht in

Sluiten