Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEVLOEKTE LAND.

Vet-Jan z'n knol zat een klein, tenger ventje met een vreemde naam, een rijder van beroep, die al heel wat prijzen moest hebben weggedragen.

De eerste ritten waren weinig spannende, eerst toen de beste paarden tegen elkaar werden gebracht, kwam er belangstelling.

Hu! dat ging. Wat snoven en briesten die beesten, wat gingen die poten! ' t Was wat goed, dat 't flink geregend had, anders zou de baan een al stof wezen en zag je niks.

Garmt Visser had al drie paarden afgereden en 't kleine, vreemde kereltje vijf.

't Was een baas, dat ventje, bemerkten de boeren. Zo als die op paard zat; luchtig en kwiek, en zo stevig. Nee, dat was toch wat anders dan Garmt Visser.

Toch — Garmt Visser!

Nog vier paarden waren aangebleven en er waren maar drie prijzen. Een moest er nog af, maar welke ? Kamprit op kamprit kwam uit, tot eindelik 't paard van Welsing op een kleinigheid uitviel.

Toen had Garmt Visser een punt voor op de vreemde rijder. Die wist aanstonds gelijk te komen, 't Paard van Herking stond op 8 en had geen kans meer te kunnen halen. De strijd was nu tussen Garmt en de vreemde.

— Garmt, hou je taai!

— Laat je niet afjagen, Garmt!

— Kerel hou vast!

Garmt beet zich de lippen. Zo streng had hij nog geen kamp gehad. Vier kampritten waren er nu gereden. De kleine was wat een baas. Maar als hij zo licht was, zeker was 't dan al gewonnen. Hij zou, hij moest - de boer moest toch de eer blijven.

Zou zo'n beroepsrijder —? Als 't aan hem lag — Garmt —dan nooit, nooit, nooit!

— Garmt! Vooruit Garmt!

— Laat zien, wat je kunt!

Garmt droogde z'n voorhoofd met z'n rode zakdoek, dwong zich tot kalmte.

Hij voelde 't bloed fel in zich bruisen — dat beroerde vreemde kereltje ook!

De paarden stapten weer aan, bezweet als hun rijders, maar moesten terug, omdat ze niet gelijk over de lijn waren gegaan.

Sluiten