Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEVLOEKTE LAND.

stoer en werkte flink, men had hem overal genomen — Welsing had 't hem wel aangeboden —

De gedachte was wel bij hem opgekomen, meer dan eens — maar altijd had hij ze aanstonds verworpen. Hij was in z'n omgeving vastgegroeid, hij moest z'n omgeving houden. Zonder z'n huisje, z'n land, z'n hele doening zou hij niet kunnen. Nee, wat er dan ook gebeuren mocht — dat niet.

Vooreerst werkte hij weer bij Welsing, vooreerst was alles geregeld —

Later — later — later —

De aardappelen waren nog niet binnen en 't verder gewas. Dan moest er groenvoer worden gebouwd — en dan — zou 't ook al wel November wezen.

Maar 't werk ging vlot van de hand en toen Oktober 't eerste vleugje sneeuw bracht, zat Gert-Jan al in z'n huisje zich te verkniezen. De hele dag strompelde hij af en aan, kon zich niet bij z'n werk bepalen, maar als de avend neerschemerde, werd het hem helemaal te eng. Dan stopte hij z'n pijp en ging de weg op — waarheen belangde hem niet. Hij liet zich door z'n voelen leiden, en zou dan wel gezelschap vinden om de avend neer te slaan. Na een genoeglik praatje en een kopje leut, kon hij zich heel opgelucht gevoelen, heel zoals vroeger, maar ais hij de huiswegweer aantrad en met elke pas de oude doem ging opleven, voelde hij zich straf afgesloofd als hij z'n huis weer binnen kwam.

In de donker zocht hij z'n legerstede, wierp z'n kleren af en kroop diep onder de dekens, zoals een bang kind zich verschuilt.

Met de dag wies in Gert-Jan het besef, dat het zo niet langer kon gaan. Er zou iets moeten gebeuren — hij zou — toch moeten — trouwen —

De gedachte bleef hem vreemd als iets uit een ander leven.

Hij, Gert-Jan, en trouwen.

Hij trachtte zich klaar te maken, wat het beduidde en vond het een hele karrewei.

Maar aan 't slot was z'n verzuchting — als 't dan moet — als 't dan toch moet!

Hij hield zich nu aanhoudend voor, dat hij trouwen zou — trouwen, trouwen, trouwen, maar diep in zicb wist hij zich niet verzoend met dat besluit.

Sluiten