Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KLAPROZEN

DOOR

H. BBINKGBEVE.

De wind stoeide met de zonnestralen en trachtte ze door het rusteloos bewegen der beukenblaren te verhinderen den boschgrond te bereiken, maar er waren zóo véél zonnestralen, dat het er af en toe wel een paar gelukte om een gaatje te vinden waar ze door konden sluipen; vlug gleden ze dan langs de takken en de stammen naar beneden en eenmaal daar huppelden en dansten ze uitgelaten over den grond en over de beide menschen, die door de laan fietsten.

Geruischloos gleden de fietsen voort over het effen pad, door den goudgroenen schemer, die heerschte onder de zware kronen der oude beuken.

Toen ze aan het einde der laan gekomen waren, daar waar het bosch ophoudt en het bouwland begint, waar de zon onbeperkt heerscht, vanuit een stralenden julihemel schatert over de velden, die niet anders kunnen dan zachtjes meelachen, waren ze een oogenblik verblind door de felheid van licht, het geflikker der kleuren van het open zonnige landschap.

Ter weerszijden van den weg en zoover het oog reikt, strekken zich de korenvelden uit, de rijpende, gelende tarwearen als de golven van de zee onophoudelijk rijzend en dalend op den adem van den wind, die als een uitgelaten jongen er zich soms plotsehng midden in werpt.

En met de korenaren mee deinen de roode kronen der papavers, het schitterende onkruid, dat de boeren haten om degenen, die het lokt, die, niets ontziende om het te bemachtigen, hun velden schenden, vertrappen het kostelijke graan om een handvol van die roode vlammen, die, zijn ze eenmaal in hun bezit, verflensen, de bekoring verliezen en dan achteloos weggeworpen worden.

Sluiten