Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VORSTEN VAN ZIJN TIJD

31

Het leere uw deugd, uw goedheid, minnen!

Zoo die verharde harten winnen,

'k Vergeef hun, wat ik heb* geleên.« ")

De lucht klaarde weer een weinig op, toen Bilderdijk van den koning verlof kreeg om in Leiden te mogen gaan wonen. Goed, zei de koning: »Leef waar en zoo gy wilt, en ik ben tevreden, mits gy het maar zijt«, een bewijs, dat de vorst zijn handen niet van zijn beschermeling aftrok. Hij behield ook zijn salaris, maar moest daarvoor als tegenprestatie de Koninklijke Courant redigeeren, of eigenlijk werd hem daarover bij Kon. Besl. van 25 Dec. 1807 de superintendentie opgedragen. Voor journalist was de grillige poëet evenmin in de wieg gelegd, zoodat ook deze taak hem weer spoedig tegenstond. Bij de reorganisatie van het staatsorgaan in Mei 1808 kwam onder de employé's de naam Bilderdijk niet meer voor, zoodat daarmee ook deze kortstondige loopbaan voor hem werd afgesloten, zeer tot zijn genoegen! Om als ambtenaar te dienen, daarvoor heeft hij nimmer willen deugen! En toen Leiden als woonplaats hem niet meer beviel, zocht hij het voor enkele maanden te Katwijk, waar zijn dichtstuk »Mijn Buitenverblijf« ontstond met de langademige klacht: ik vegeteer en parasiteer, niets meer en beter! In Brunswijk kon hij in elk geval nog een kleine schare van jongelingen geestelijk voedsel bijbrengen en hen vormen tot nuttige leden der maatschappij, hier in patria vermag hij niet anders meer dan

»Zich in de nietigheid van 't lijdlijkst plantbestaan Affoltrend, in 't geweld der wanhoop (te) vergaan.«

Maar zijn bede, van Addison overgenomen: »While I

yet live, let me not live in vain«, bleef meer steeds de

stem eens roependen in de woestijn. Somber sterft die stem ten slotte in vertwijfeling weg:

»Maar neen! het was mijn lot, mijns levens doel te derven, In uitgeblakerde asch vertwijflend weg te sterven,

*) D. W. XII, 97.

Sluiten