Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VORSTEN VAN ZIJN TIJD

33

En zoo bleef hij maar doorfoeteren en jammeren ondanks het feit, dat de koning zijn jaargeld verhoogde tot f 3600.—, wijl de dichter nu als lid van het Kon. Instituut te Amsterdam moest wonen, waar alles veel duurder was dan te Leiden, terwijl hem tevens een huis te Utrecht in eigendom werd toegezegd in de Heerenstraat aldaar, met het oog op de vorstelijke residentie te Utrecht. Eerst in Januari 1809 verhuisde Bilderdijk naar Amsterdam aan de Keizersgracht, nu echter wel wat opgewekter, waar hij eerst vrij aardig kon wennen en zich eveneens een actief en ambitieus Instituutslid toonde. Maar oneenigheid met zijn medeleden, ziekte thuis en de slechte, althans zeer ongeregelde betaling van het toegekend jaargeld door 's konings niet al te gezond financieel beheer beïnvloedden die kortstondige opgewekte stemming al spoedig in ongunstigen zin, zoodat wederom een tegemoetkomende houding des konings noodig was om hem op te beuren, die het Utrechtsche huis op zijn verzoek terugnam en bij wijze van compensatie Bilderdijk's jaargeld nogmaals verhoogde tot f6000.— jaarlijks, benevens f3000.— ineens ter delging van zijn loopende schulden.

En nog was het niet in orde! Het was geen ontevredenheid of zelfzucht, die den dichter plaagde, doch een pathologische zwaarmoedigheid, het leven met den geest in een anderen tijd — de Middeleeuwen —, gebrek aan practischen zin en aan aanpassingsvermogen. Dankbaar jegens zijn vorst was hij genoeg, maar zooals hij zijn vrienden schreef: »de onvoorbeeldige goedheden en weldaden des Konings konden hem niet gélukkig maken. Het geluk bestaat in geen ruim bestaan, maar in eenen Staat, waar men zich voor geschikt voelt, en naar voegen kan. En dien heb ik gemist.« Het was telkens weer de onvervulde begeerte naar het professoraat, dat uit het onderbewustzijn des dichters opdook, hetgeen hem de wereld, de menschheid en zichzelf deed verachten. In een oogenblik van vertwijfeling (Januari 1810) riep hij dan ook uit: »Stel my in staat nuttig te zijn, en ik zal opkweken, zoo zwak en zieltogend als ik thands ben.... de onmacht der wanhoop (of wil men 't dus) de wanhoop der on-

Sluiten