Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lange, breede rijen de er vaak zoo gemoedelijk uitziende Duitsche infanteristen.

Het Belgische landvolk stond als verslagen! Hoe? Kon de vreemdeling, schier onverlet, zoo maar voortdringen? Waar waren dan toch de soldaten, die het land tegen deze indringers te verdedigen hadden?

Die soldaten? O, als de Belgen slechts de kunst hadden verstaan, om, evenals de Duitschers, snel hun troepen te verplaatsen, dan was het nog mogelijk geweest, dat hun hoofdmacht de betrekkelijk zwakke vijandelijke machten, die het groote leger voorafgingen, hadden tegengehouden en verslagen! Heel de groote Duitsche opmarsch zou in dat geval zoo niet gestuit dan toch belangrijk vertraagd zijn geworden. Helaas voor België! Zijn troepen misten de daarvoor onmisbare snelheid van beweging en de „misrekening" van zijn generalen staf kon niet meer worden goedgemaakt.

Al maar meer drongen de Duitschers voorwaarts. Den 9en Augustus vertoonden zij zich reeds binnen Hasselt, den lOen werden ze opgemerkt voorbij St. Trond (St. Truyen) tot zelfs in de omstreken van Tienen (Tirlemont). En al maar door westwaarts trokken ze.

Of er dan in het geheel niet gestreden werd ? Zeker, generaal Léman en zijn dapperen waren niet de eenigste helden van het kleine leger! De Belgische voorposten bleven op hun post, wanneer ze in de verte de Duitsche cavalerie-patrouilles de velden zagen afzwermen en ze hielden stand, wanneer deze gevreesden van nabij op hen afkwamen. Het waren inderdaad dappere kerels, die Belgen, die zelfs niet verschrokken, als de door die patrouilles meegevoerde mitrailleurs op hen werden gericht, of de in galop aanstormende ruiters hen aan hun puntige lansen dreigden te spietsen. Dapper

waren ze, doch ze móesten terug, wilden ze niet door de

overmacht worden overweldigd. Want het was verschrikkelijk: die Duitschers minderden niet, ook al werden er tientallen neergeschoten. Steeds meer, steeds grooter werd hun aantal!

Woensdag, den 12en Augustus, had er bij Haelen een gevecht plaats, dat meer was dan een schermutseling.

Een deel der Belgische hoofdmacht: lanciers, Chasseurs te paard, karabiniers en artilleristen, wachtten ten zuiden van Diest — met Haelen als hun centrum — den vijand af, die zich, haar gemeld was, reeds in de nabijheid bevond. Aan den linkeroever der Oeete stonden de Belgen opgesteld.

Een hevige ontploffing! De Belgische genie had de brug over de rivier doen springen!

't Was juist bij tijds! Daar vertoonden zich reeds de eerste vijandelijke ruiters. Mecklenburgsche dragonders waren het, prachtkerels, die als vastgegroeid met hun paarden schenen. Och arme!

254

Sluiten