Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wien men een beukend nieuws wil vertellen. Donderdags al hangt er een klein zwartmarmer bord, met gouden letters. Het steekt haast niet af tegen den donkeren gevel, toch weet ieder dien avond al, dat er op dat bordje staat:

H. MONTIJN Hzn. Leeraar M. O. Boekhouden en Engelsen.

Nu in de eerste verbijstering, Baars vindt nog juist tijd om in zichzelf te mompelen — altijd wel gedacht, altijd — rept hij zich strompelend naar buiten, naar den tuin op Papenhoef. Hij ziet mijnheer Boer.

„Weet U 'tal, weet U 't. Hubert "

„Oh, dat de jonge Montijn les gaat geven? De timmerman vanmorgen in de werkplaats doende gezien met zoo'n naamplaat."

„Jonge, wist U 't al....."

„Veel hooge boomen zien vallen Baars."

Zie, nu is Baars toch bedroefd. Wat bezit hij, arme eenpoot? Spot van kinderen is van jongsaf zijn part geweest. Nu éven was zijn hopen weer geweest op het nieuws omtrent Hubert den zoon van den ouden Notaris verscheiden. Waar hij langs komt naar den tuin, wil men hem datzelfde nieuwtje verkonden, 't geheim is breed uitgezaaid. Ai, hij trekt een zuren mond. 't Is werkelijk een slag, zoo van nieuws geladen te zijn en 't dan voelen ontglippen, iets als een scheldend achterstraatjoch, niet te achterhalen

9

9

Sluiten