Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al strompelend. Zie; nu gaat hij naar zijn tuin en daar vindt hij wel afleiding bij zijn erwten en groenten, maar een zweem van bitterheid blijft om zijn lippen, wel een dag.

Boer straalt gewicht af in de soos. „Wat zei ik verleden jaar, postdirecteur? Veel hooge boomen zien vallen, weet U 'tnog?"

„Daarvooris U hier ook geboren en getogen", is 't wederwoord.

„Al ben ik geen schatter van de belasting", schimpt Jaan Ei triomfant, „toch weet ik wel eens wat."

Sindsdien gaat Hubert Montijn niet meer vier keer per week naar Rotterdam. Hij is de eenige leeraar M. O. in het stadje en Laponder het hoofd der school brengt hem uit de hoogste klasse een rentenierszoon; die wil Engelsen leeren. Later nog een jongen van kaaskooper Schoonderwoerd. Twee zonen van mijnheer Boer nemen les in boekhouden en komen in 't notarishuis, later nog de jonge assistent van de melkfabriek, die van oorsprong een dagloonerszoon is uit Snelrewaard.

Zij komen allen in het huis bij Hubert Montijn en beschroomd schellen zij aan in 't eerst. Op het bordesje staand, ze hebben hun belleklank in de gang gehoord, bedenken zij een groet en een dragelijk woord. Als zij goed op tijd zijn doet de leeraar zelf open, anders mevrouw. Aan het einde van de gang zien zij een vorstelijke staande klok, wortelnoten met zwart inlegwerk. Die klok toont met gewisheid, of zij te laat zijn of niet. Zij worden 10

10

Sluiten