Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen langzaam op de zoele windloosheid in wijden boog. Nu komen de donderkoppen op, en groeien in breedte en lengte en in diepte van kleur. Wat wit is op het land beneden wordt witter, wat zwart is verdwijnt. Het donkere maakt tot schaduw wat donkerder is. Nu schitteren telegraaf potjes als koortsoogen. De angst van het land en de hoeven waarin de menschen bang wachten, stijgt in al wat wit is en witter wordt. Zie nu brugleuntjes als fel-witte kerkhof kruizen; zie de meidoornhaag als wit gloeiend oordeelsvuur. Krachten tegen krachten; boven strijden de wolken. Klein als een wandelaar zijn kan, die zijn oogen naar de wolken gewend heeft te heffen, is de bleeke notariszoon, die het lenteönweer tart. Hoor nu een roep van hofstee naar hofsteê, een raad voor het komende noodweer. Want nu de natuur zich van de menschen keert, komen de menschen snel in primitieve verbonden tot elkander, juist als de groote dieren en de kleine dieren.

De koeien zoeken den slootkant en loeien schor de donkere stilte in. Maar de meidoornhaag, de groote witte vlam, witheid zonder weerga, opstaand tegen den zwarten hemel die kreunend breekt en sluit o, de bloeiende

hooge meidoornhaag

De eerste droppen zijn als lauwe mopjes lood; vallen paffend in de rul te, laten geen spoor na. Nu weet wel Hubert Montijn dat de groote krachten daar loskomen, wind, water en hemelvuur, maar hij talmt bewust om te schuilen, hij in begeestering opziend naar de meidoornhaag, de witste witheid thans, waar al het licht der aarde

56

56

Sluiten