Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krachtig in de stammen, soepel in het jonge bovenhout. Al deze boomen behoorden nu ook aan vader, die hadden daar dertig, veertig, misschien vijftig jaar in zomer en harren winter gestaan, die waren knoestig en weerbarstig geworden door 't weer-en-geen-weer, door allerlei tegenspoeden tijdens de seizoenen, nu waren ze groot en voornaam, maar niet zóó geweldig of vader kocht ze, nam ze over van een anderen eigenaar voor wien ze eerst groeiden, met èèn slag. Wat was vader machtig ....

O boomen, — mijmerde ze: nu zijn jullie van vader, van mijn eigen vader, groei nu maar goed. — Ze vond nu den mensch gewichtig. Een mensch die bezitter kan zijn van zooveel kolossale boomwezens, die ieder wel honderd maal zoo groot zijn als een mensch. Maar de weerslag kwam, een scherpe spot op haar hooge gedachten van zooeven. Welja, nu waren die boomen wel van vader geworden, maar dat is er niet aan te merken. Die boomen veranderen er geen zier om. Ze doen nu precies alsof ze nog niet van vader waren of van niemand, ze staan maar en worden elk jaar groen. Zeer geheimzinnig. Dat gaat boven menschenwil uit. Menschenwil kan er geen verandering in brengen. Tegen een paard kan men — ho — roepen, niet tegen een boom. Wat gebeurt er allemaal in een boom* onderwijl de knoppen zwellen en er bladeren uit openvouwen? Wat gebeurt er nu in dien boom? Zou ze 't leven erin kunnen zien of wel hooren, zooals den hartslag van hun poes? Neen! Boomen, starre stilstaanders, met je vele bewegende vingers die door de lucht aaien, vreemde boo-

95

Sluiten