Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaan knapt slechts haar poovere geschiedenis, maar in haar gedachte geheel het belang af, dat de wereldorde in gang houdt. Toch is Vrouke nooit pedant geweest; haar gang door het leven was bescheiden en alleen maar een weinig verwonderd was ze, om het vele nieuwe dat telkens voor haar wijder-openluikend denken kwam geschoven.

Zij moet bhjven leven om haar aanzwellend verlangen naar een zuivere liefde (dat heerlijk onstuimige gevoel, dat in haar keel klopt en door heel haar lijfje) om deze hunkering tijd te geven te groeien tot iets voornaams. Heel, heel vaag ziet Vrouke vreugdebeelden van bevredigde liefde, en hoe smaller haar gezichtje wordt, des te zekerder wordt haar hoop, dit liefdeleven eens nog te bereiken. Ze hangt een langen kwakkelwinter door boven den afgrond. De dood kan ieder uur komen en haar vorderen. Ieder weet dat, ieder; maar zelf wil ze 't niet weten en zoo valt het den goeden huisgenooten niet moeilijk te veinzen, dat de nieuwe lente het herstel wel brengen zal. Hoewel de koorts door haar bloed woedt en haar weinige kracht nog verslapt, en ze haast niet meer tillen kan haar hand van het witte dek, stralen haar oogen blijmoedig naar het vreugdeleven dat haar later wacht, als ze genezen zal zijn. 't Is, of de onzichtbare band, die haar naar de aardsche heerlijkheden trekt, haar vuriger omstrengelt, naarmate ze verder glijdt van de laatste en geringste levenskans.

Week aan week zit aan haar ziekbed de leeraar uit Oudewater. Hij kan nu niét meer overslaan. Vader de

123

Sluiten