Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaamheid der zomerdagen over dit land verborgen houdt de wintersche barheid. Hij kent de koppen der achterafsche daggelders, die op den Snelrewaardschen Tiendeweg wonen, elk een kwartier gaans van zijn naasten gebuur. 't Zijn verwrongen ingegroefde wezens met oogen, die gewoon zijn onder de zon te staren. Hij heeft de apostolische gelaatstrekken dier oude mannen met schroom aanschouwd en hij weet Hubert, dat het eenzame land er de boetseerder van is.

Nabij Montfoort breken de vele steenovenvelden, waarover de schermzetsters loopen op bloote voeten, het eendere uitzicht. Hier kromt de IJssel en hangt kreupelhout over het water aan de overzij van 't jaagpad. Het oudste meisje zit voor op het schip, ze speelt met Keeske en zingt. En nu beziet Hubert weer haar jongste zuster, bedenkend, dat hij die armen bloot heeft gezien, de haren los. Daarover mijmerend, zonder dat de gedachte er aan hem opzwiept, zit hij tegenover haar en sluit half de oogen. Ze glijden zoo langs Montfoort en op hun metalen roep draait de brug open. Nog wat verder moet Hubert, naar den steiger voor den Hoogen-Boom. Daar springt lüj aan land. De Goede Verwachting glijdt verder, de broer en de meisjes groeten hem nog na. Loom en met bonzend hoofd loopt hij iets terug naar de sticht van de Lieme's verborgen landhuis.

148

Sluiten