Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo .... en kom je — nergens om — nooit meer bij 't kind? Hu, 't 'is een mooie boel. 't Staat je niet netjes.'"

„Dat is nóg mooier," smaalt ze. „Vooruit, laat me door meneer de Lieme, 'k wil naar huis!"

„Waarom kom jij dan niet meer Buurtje?"

„Ik zeg het niet."

„Toe nou dwarskop, zeg op. Heeft Vrouke er schuld aan?"

„Neen, Vrouke niet. Hoe.... hoe is 't met Vrouke?" vraagt ze met neergeslagen oogen.

„Kind dan toch, kom dan zelf kijken. Je bent niet kwaad op haar zeg je, kom dan! Ze kijkt dag aan dag naar je uit; je moet het doen versta je stijfkop!!"

„Als U zoo begint "

„Maar m'n Buurtje dan toch." Hij klimt van den bok. Met de leidsels in de hand komt hij bij haar staan. „Zeg mij dan toch wat er is gebeurd, zeg het me gerust. Want er is wat aan de hand hè?"

„Neen."

„Je mag toch zeker van huis wel?"

„Natuurlijk." Ineens krijgt ze een inval. „Gaat U maar mee ma zal het U vertellen, kóm maar."

„O, wacht," zegt de oude en hij legt een vinger langs zijn neus: „Buurtje hebben de jongens je wat gedaan, zeg op, gerust."

Ze bloost en zegt zonder mijnheer de Lieme aan te zien; „Ja, één." „Wie?"

156

156

Sluiten