Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij naderden. Daar staan de zwarte koetsen klaar; de kist wordt in den lijkwagen geduwd, de baar geborgen bij den boer zoolang. De vader en de zoons, dragers en volgers stappen in, maar Hubert wordt niet gezien in het gewoel. Hij die dit alles bedient, een baardig Woerdensch joodje met plechtigen schokgang en galmenden toon bij het langzaam spreken, heeft den naam Montijn niet op zijn briefje staan. De kinderen moeten loopen, en bij de kinderen loopt de scheve leeraar door de Linschoter Buurt op het dorp aan. Hij heeft geen aandacht gevraagd, eer heeft hij zichzelven daaraan onttrokken toen de plaatsen in de koetsen werden verdeeld. Nu loopt hij als een ordebewaarder tusschen de kinderen, hij de eenige in 't zwart achter de koetsen. Vooraan rijdt het doode meisje. Hubert Montijn, nu rustiger (want de mannen, zijn objecten van beschouwing zijn geborgen in de wiegende koetsen) peinst mildelijk na over Vrouke, die hij niet meer heeft mogen zien. Hij groet haar tal van malen, gelijk een Roomsch kind zijn Moeder Gods, steeds herhalend denzelfden droeven groet. Hij vraagt haar, alsof ze antwoorden kon, naar haar welzijn in de sferen en is teeder bhj want hij twijfelt niet, zij heeft thans vrede.

De stoet gaat het dorp Linschoten door en dorpsgenooten groeten de doode. Zij loopen weer verder en verder; daar is al Kromwijk en de ridderhofstad „Wulverhorst" in bruin beukenloof verborgen. De Kromwijksche Buurt duurt lang; zij komen de barakken der soldaten langs en den Woerdensche singel. Bij de brug over den Ouden Rijn, betreden zij het Woerdensche. Daar voegen de Joodsche mannen van

185

185

Sluiten