Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij zelf in de middenstemmen rustig en er bovenuit klinkend zich liet hooren.

Dit effect van „het gezang op het klavier", zooals Thalberg het zelf noemde, werd bereikt door de handen, over elkaar kruisend, de doorloopende passages te laten uitvoeren, terwijl de duimen op het oogenblik dat de handen elkaar aflosten de melodie met sterkeren nadruk dan de rest voordroegen, zonder daarmede de lichtheid of de kracht der andere vingers te be* invloeden. Men noemde dit de duimentechniek. Thalberg ver* kreeg op deze wijze een uiterst welluidend en glanzend effect in zijn spel en Fétis oordeelde hem een „epoche*makend genie", den eigenlijken nieuwen pianist, dien hij later in een artikel tegen Liszt als „werkelijk een grondvester van een nieuwe klavierschool der toekomst" uitspeelt.

Liszt komt te laat om Thalberg nog te hooren. Een dag te voren was deze weer naar Weenen vertrokken. Maar Chopin zegt van hem: „Hij speelt fameus, maar hij is mijn man niet. Hij speelt het forto zoowel als het piano met de pedaal inplaats van met de vingers, grijpt even gemakkelijk decimen als ik octaven, en draagt overhemdknoopjes met diamanten." Thalberg was hoofsch, kalm, een dandy en een „beau gar§on", zich bewust van zijn blauw bloed (hij was de natuurlijke zoon van prins Die* trichstein). Later, als de rivaliteit tusschen hem en Liszt schijn* baar is opgeheven en Liszt hem voorstelt samen een concert voor twee piano's te spelen, zegt hij met een glimlach: >rfe n'aime pas être accompagnê'; een woord, dat de Parijzenaars zeer amuseert. Hij had alle eigenschappen, die hem dadelijk in de mode brachten. De plotselinge aanwezigheid van Liszt te Parijs werd dan ook als nijd uitgelegd. Liszt wist niets beters te doen dan zelf een tweetal concerten te geven, waarop de nieuwsgierige Parijzenaars stormliepen. Het was naar aanleiding van dit wederoptreden, dat Berlioz zijn reeds geciteerde woor* den over Liszt's nieuwe klavierstijl schreef en hem „de pianist van de toekomst" noemt. Liszt ziet de composities van Thalberg, en om ze te bestudeeren sluit hij zich er een geheelen ochtend mee op. Hij schrijft over deze composities een nog al vernieti* gend artikel, waarin hij zegt: „Onmacht en eentonigheid, dat is het wat wij in laatste instantie in de werken van Thalberg vinden." Zeker was het laten publiceeren van dit overigens ge* meend artikel een minder gelukkige politiek in een tijd, dat aller aandacht zich op deze beide pianisten Thalberg en Liszt als op twee rivalen spant en Liszt's tegenstanders zich in ieder blijk of vermeend blijk van afgunst bij Liszt verheugen. De Brusselsche muziekgeleerde Prof. Fétis vat vuur en vlam en publiceert een stuk „Messieurs Thalberg et Liszt", waarin hij

73

Sluiten