Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het A*dur concert is een „concert symphonique", in dien zin, dat de klavierpartij geheel wordt opgelost tot een stem in het orkest, waarmee de piano een integreerend deel wordt, dus niet langer een klaviersolo, begeleid door het orkest. Het concert is één«deelig en geeft feitelijk de ontwikkeling van één enkele melodie weer.

De variatiesreeks op het Dies irae*thema, getiteld „Todten* tanz'" en geïnspireerd op de aan Orcagna toegeschreven fresco* schilderingen „De Triomf van den Dood" in het Campo Santo te Pisa, is een der verbazingwekkendste werken van Liszt: bij sommige der variaties worden ware Apocalyptische klank* tafereelen uit de toetsen van het klavier opgeroepen!

Verder noemen wij de „Ungarische Fantasie" voor piano en orkest, de fantasie op motieven van Beethoven's „Ruïnen van Athen", de bewerking voor piano en orkest van Schubert's Wanderer*fantasie en Weber's Polonaise, opus 77. Een Hon* gaarsch pianoconcert bleef schets, een a*moll pianoconcert van den 12*jarige is verdwenen. In de nalatenschap schijnt nog een pianosconcert in e*moll, getiteld „Malédiction", te zijn achter* gehouden.

De „Années de Pèlerinage".

De drie bundels „Années de Pèlerinage" hebben als voor* looper het „Album d'un voyageur", waarvan de daarin ver* schenen stukken „Lyon" (met het oproer*motto „Vivre en tra* vaillant ou mourir en combattant") en de „Trois airs Suisses" (uitgezonderd het laatste, „Eglogue") in andere bundels zijn ondergebracht. De stukken, waaruit deze bundel bestaat, geven indrukken weer uit Zwitserland en Italië en zijn voorzien van motto's, die herinneringen willen wekken aan gelijknamige aan* doeningen uit de litteratuur van Byron, Sénancour, Hugo, die hem naast zijn muzikale aandoening bij verschillende stemmin* gen in den geest kwamen. Zij hebben dus geen ander dan een ideëel verband met het in de muziek uitgedrukte (geen pro* gramma*muziek!), maar openbaren ons Liszt geheel als een „musicien du romantisme". Verschillende der stukken zijn voor onze concertzalen te zeer verbleekt tot het genre der „ver* edelde salonmuziek", zooals Niemann ze noemt. „Au bord d'une source" is een bekoorlijk klankenspel, dat men nog wel eens als toegift te hooren krijgt Het werkzaamst blijven enkele der Itahaansche stukken: de sonnetten van Petrarca en het laatste, de „Jeux d'eau a la villa d'Este", een schepping, waarvan wij de invloeden terugvinden in de lange, sproedelende bewe* gingen van Ravel's klavierstuk „Jets d'eau".

Een andere klavierbundel is de „Harmonies poétiques et reli*

121

Sluiten