Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Urk " Ze knikte bits. „Weet je wat 't was met

jouw jongen, Ruurt Boltema? Hij had de hoogmoed tot zóó vèr," ze wees op haar hals, — „de hoogmoed zat hem in 't lijf, in 't bloed, hij had zijn hart op 'n klipper 'steld, dat was 't! De klipper speulde hem door de kopl Ooh — mensch-lieve, de vreê, gedenk ..."

Ruurt Boltema steigerde op uit zijn stoel en haar schelle stem verdronk in zijn bolderend geluid. „Gö'dome! Roestige draadnagels dat je toch ben! Go'vergeef, is me dat 'n gedraai en gehaspel om de centen in de buul te houën! Gierigaards, dat je toch bent, met — met dat duvelsch geklongel d'r om toe! Aj-je nou maar éérlijk zei, dat je de beurs in de knoop houën wou en dan de Bijbel er buiten ...."

Hij hijgde en Hendrien sloeg de handen te zamen. „Siena! Siena 1 Dat je dat toch ook denken kan van

onz' Wiggert. Net of-t-ie ópzèttelijk of 'm vrouw

en kinders niks — niks meer uitmaakte, nee, da's .... da's "

Roos brak het. „Dat was m'n vrouw's zeggen niet, Snaar, nee, wij bedoelen enkel maar, dat 't jongie wat dom en driest uit'vallen is. Hij heb 't in zijn kop 'haald, om z'n eigen er met dat slaafsche ezelen bij dag en bij nacht, boven op te werken, hè? En of dat nou móói weer is en of dat nou bar weer is, hij jacht er doorheen! Da-'s zijn driestheid. En zijn domheid is, dat ie nou uit dat gedoegie met die verzekering, 't driedubbele kon krijgen, van 't geen ie opgeeft als scha'...."

14

Sluiten