Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het water donderde en de wind dreunde, en zwoegende ging nog het schip.

— Allengs verstilden toch de wilde daveringen, en de stem van de ouë was weer hoorbaar. „Hals zakkenl Nok wat op!"

De roefdeuren klapten open, Hendrien kwam kijken, ze had rooie oogen en een ingenepen mond.

De ouë knikte naar haar en beverig zei hij: „Daar ben we go'-dank doorheen, Hendrien, de bui die zakt af."

Dwars aanleunend tegen het helmhout keek hij om naar Tjeerd, zijn oogen zeien: „D'r waren we haast 'weest, jong'," maar zijn stem zei enkel: ,,'n Rauwe wind, hè? Tsjönge ....!"

En Tjeerd knikte, hij had een beklemde keel en sprak niet, nog gulpten de zeeën over het dek, en zwoegend ploeterde nog de tjalk voort in de grauwe leege barheid....

44

Sluiten