Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jongen lachte dreunend. „Zoo'n stompkop, nou?," hij tilde Eef hoog op en zoende haar gulzig, alschaterend liepen ze heen.

Achter hen aan sprongen spitse schaduwtjes: de wind griste ruw door het magere iepen-rijtje in de leege nacht-straat, het regende blaren rond Tjeerd. Werktuigelijk boog hij zich naar de portemonnaie en keek in de bijna leege vakjes. Een nijdig en ontnuchterend begrijpen scheurde in hem open en hij spuwde op de grond. „Ar re-jasses! Beduveld had ze 'm, beduveld!" Hij tuurde nog eens om in het straatje, dan driftig keerde hij zich.

— Voor de schiettent zag hij een clubje varensgezellen, hij slenterde dralend op hen toe, en pikte twee bekenden uit het groepje op: Berend Bos en Ate de Leeuw. Joviaal en luidruchtig begroette hij hen.

„Je moet ook 's prebeeren," zei Ate. Zijn mager zomersproetig gezicht was klam van inspanning. ,,'t Is bar aardig," prees hij.

„Ik heb al voor vijf gulden op die dikke meiden vermikt," pochte Berend. Een grijns gleed door zijn bolle oogen, en hij trok zich ruw aan de gele snorharen. „Vijf gulden man, tja, dié ben je gauw kwijt, allooh, nou jij ook 's!"

Tjeerd knikte. „Vooruit!" Zijn baloord gezicht stond bleek in het helle licht van de lampen, zijn handen beefden, telkens miste hij.

Ate en Berend verkneukelden zich in stilte, maar achter hem joolden lawaaiig de toeschouwers. Tjeerd

61

Sluiten