Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of-t-ie 'n druppie te veel op had, zoo draaierig." Geruchtloos schuifelde hij op de kousen door het gangboord, naar het voor-veronder, gleed omzichtig het laddertje af, en wierp zich in de kooi.

Hij had een gevoel of hij braken moest, en geeuwde gedurig.

„A-ah god, zoo'n dag, zoo'n — zoo'n dag!" Zuchtend rekte hij zich. ,,'t Kon 'n hoop lijen, als — als ze hem nou maar... nou maar niet 'hoord hadden achterin."

Voor zijn toegenepen oogen wriemelde alles dooreen, de lichten van de zweefmolen, Eefke's lachend gezicht, de cartonnen meiden uit de schiettent, het roode gezicht van de publieke vrouw....

Zacht-kermend keerde hij zich om, hoorde weer haar schater over zijn onwetendheid, haar aansporingen, en gemeene lof, zijn handen knepen ineen.

Even was het hem of hij God's aangezicht zag, blinkend, en verschrikkelijk van toorn, dan ook of hij in een beverige uithaal een brok van een psalmdeun hoorde: „Welzalig hij, die in der boozen raad, niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat...."

„God, wat — wat had ie nou toch uit'haald? Och God toch ...!" Hij wentelde zich om, zijn kop woog zwaar als lood, zijn uitgeput lichaam leek overal gekneusd.

Dood-stil bleef hij eindelijk liggen.

Door het opengelaten luik zag hij een stukje van de

66

Sluiten