Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ver uit de richting. Affijn, toe' 't dan op slot van zaken wat ontlatend wier, toe' hê'-we de tjalk daar vandaan 'prutst, 'plóéterd mag ik wel zeggen, want met levensgevaar. Waarachtig zeker! 'n Zee vol drijf-ijs, och mensch-lieve, schrikkelijk, schrikkelijk! En de ouë bar nijdig, dat we 't ondernomen hadden, en Moeder schreien en ik... ik, nou ik voor vast de gedachte: jong' daar schieten we 't hachje bij in. Tja zeker, ben we daar algedurig voor dichte havens an-'land en geen licht op de torens, nergens licht, alles gesloten en donker en dicht, en achter ons de zee met de zware ijsbonken! Ja, ja, en toe' daar voor Blokzijl er óp of er ónder! Hê'-we de tjalk storm laten loopen op 't ijs, de wind hê'-we mee, dus dat was gedurig weer terug met de schuit en dan met de volle boel er op instormen, dat 't donderde en kraakte en scheurde of de wereld verging, en op slot met behulp van varens-lui in de wal, de haven in ...."

Vrouw Zeelt sloeg de handen te zamen. „Och-och mensch toch! Och mensch! Nou maar — maar dan ben jelie wel wonderlijk bewaard 'bleven, óch-óch!" Ze schudde het hoofd en haar oogjes keken vochtig onder de strook van haar muts uit. ,,'t Is — 't is schrikkelijk!"

„Daar hebben we nou — nou heelegaar niet op 'zonnen," zei Bouk, na een poosje, — „Heer in de Hemel, wat eng toch, wat èng jong', dat je daar in —i in doodsgevaar ...., och heden, ja dat was bar slim, hè Moeder, bar slim?"

7$

Sluiten