Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tjeerd's stappen dreunden zwaar op de roef, met één sprong kwam hij het trapje af, hij floot en zijn oogen. tintelden.

Het was of hij de zonneschijn mee naar binnen, bracht op zijn glanzig-wit overhemd, zijn gepoetste schoenen, zijn bruine gezonde gezicht.

Hij Het zich plomp neervallen op zijn stoel en bezag met een voldane glimlach de dampende spijzen.

„Hè, boontjes, fijne prinsessenboontjes," prees hij, — „en gebraaien vleesch! 't Water loopt me om de tanden," zijn praten stokte, hij trok de wenkbrauwen, hoog op en keek grootelijks verwonderd naar Bouk's onbedekte hals, haar ronde witte armen. „Had je 't zóó warm?," vroeg hij.

Ze werd rood onder zijn blik, dacht ineens weer aan. het schort, dat ze vergeten had. ,,'k Heb 't — 'k heb 't benauwd," zei ze gesmoord.

Hij praatte er niet op terug, keek een oogenblik ontstemd voor zich neer. „Jee, wanneer had dié 't niet benauwd! Eeuwig klachten!"

Bouk stortte de dampende aardappels in de schotel, bracht de pan weg, en liet zich even later met een zucht neer in de stoel.

Hij had zich al opgeschept, hapte hongerig.

„Moe'-we ook maar niet meer bidden, Tjeerd?," vroeg ze beschroomd.

Driftig hief hij het hoofd, toen hij haar aankeek zakte de toorn weg, maar zijn voorhoofd bleef rood. „O ja, ve'zelfs," stemde hij toe, en slordig — met de vingers

ut

Sluiten