Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord. „Als 'k nou maar geen ding tegen de kop krijg," dacht hij en tuurde naar de groote tinnen peperbus, haalde die haastig naar zich toe.

„Tweemaal had ie nou de sukerpot op z'n hoofd 'had," bedacht hij, — „en één keer de schaal met heete aardappels en dét — dét enkel omdat hij 't over sletjes had. Heden, zoo'n lampe-pit, er mee vrijen dee' ie wel, maar er over praten — geen kik," hij schrok op, en keek onthutst naar zijn schipper.

„Boodschaploopers van Satan," praatte Tjeerd op een doffe vreemde toon, — „tja, wervers voor de hel, dat ben' ze, die meiden." Hij staarde Jur strak aan. „Als ik op m'n uiterste leg," voorspelde hij, — „geloof maar gerust dan komen er risten van die — die duveldregonders om me — om me na' de vlammen van de hel te slepen." Een grijns trok over zijn holle wangen. „Ja, zotte-praat, niet? Praat om je over te schamen, niet?" Driftig prakte hij om in de vette warme hutspot op zijn bord, en hij vergat te eten.

Achter de witte wasem stond zijn vale kop als los van zijn lichaam en onnatuurlijk groot staarden zijn oogen.

„Zeg," begon hij weer met een beknepen dunne stem, — „geloof jij dat 'n mensch 't helpen kan als ie kanker of — of clera krijgt?"

Jur keek verschrikt voor zich neer. „Ik begrijp niet wat je ...."

„Zeg nou op," snauwde Tjeerd er tegen in, — „tóe vóórtl"

146

Sluiten