Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

raam de vitrage opzij schoof, en vader wenkte met een witte mouw of met een gezicht vol zeepschuim, tot Jopie's uitbundige pret. j,Nee — blijf maar daar —" wenkte zij af, „Moes komt.al binnen." Gedwee keerde het kind aan de toegestoken hand, en wachtte stil bij den hoogen tafelstoel om te worden opgetild en neergezet. Haar groote lichtblauwe oogen in het wasbleek muizensnoetje vorschten naar het ongewone in moeder's gezicht, totdat het hooge stemmetje, trotsch op de ontdekking, besliste: „Moes huilt."

„Niet waar hoor," weerde Lize de servetbandjes strikkend en even haar gezicht begravend in de zijden weelde der blonde krullen, „nou gaan we gauw een boterham maken..." Stil-aandachtigzag Jopietoe, met de gedempte tevredenheid, de vroegwijze ernst van zwak eenig kindje, gewend aan elk huiselijk-gebeuren omstandig aandacht te geven. In de morgenstille kamer, die lichter geleek door het wit van het tafelvlak en vroolijker door de vele schamplichtjes op het blank en bont van borden en schaaltjes, werd nu het zingen van den theeketel en het prettig knappen van het mes in de harde broodkorst het eenig geluid.

Over de broodplank vielen de sneedjes holderdebolder over mekaar en Jopie na lang kijken, besliste met een puntig vingertje: „die daar — en het groote gat vol boter stoppen!" 6

Sluiten