Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tochten maakten door de naaidoos van onze moeder, toen wij afdaalden tot in het warnet van prachtig bontgekleurde zijden draden, en wij meenden, datmoeder's lieve handen duizendmaal grooter waren dan wij zelf, en wij ons indachten dat wij ons verstopt hadden in de donkere tunnel van een der vele garenklosjes, popelend in afwachting of die handen, waarvan wij den geur kenden en waarvan iedere vorm ons gemeenzaam was, of die juist dat klosje, waarin wij ons zoo heerlijk verscholen hielden, zouden opnemen, of met. Ariël was bij ons als wij door de reet van een planken zolderbetimmering een andere geheimzinnige ruimte hadden ondekt, de stofpluizen die daar lagen hielden wij voor vreemdsoortige meubelen of voor statig hangende gordijnen. Deze ruimte, dit wisten wij heel zeker, was bewoond door wezens, maar die wij nog nimmer zagen; en Ariël was bij ons, als wij met bonzend hart, en op kousenvoeten naar die spleet slopen, vast verwachtend dat het ons toch éénmaal zou gelukken die geheimzinnige bewoners te zien, voordat zij konden vluchten.

Edward Calvert die voor meer dan honderd jaar deze, de wellicht kleinste werkelijke meesterwerken der eeuw gemaakt heeft, Ariël had hem zeker hef. En wij doen ondertusschen alles om Ariël van ons, en ons van Ariël te vervreemden. November 1923.

Sluiten