Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk alle avonden, op baar schoot, terwijl zij borduurt. Zoo valt hij steeds in slaap, en wordt hij dan door vader naar bed gedragen.

Ineens richt hij zich op: „Moeder," vraagt hij, „komen alle kinderen uit de rookolen?"

De moeder is plots wantrouwig. Hebben ze haar kind wat te veel verteld?

„Waarom?" vraagt ze.

„Zijn er soms geen kinderen die uit den hemel vallen?"

Het gezicht der moeder klaart op.

„Ja, Nolleken, maar dat zijn heel, heel wijze kinderen. Waarom vraagt ge dat?"

„Daarom," zegt hij ontwijkend en legt weer zijn hoofdeken in haar breeden, warmen schoot.

Nu is hij er van verzekerd dat Liezeken een engeltje is; meteen voelt hij dat Liezeken voor hem maar een droom is, iets onbereikbaar; dat geeft hem echt kinderverdriet, maar hij is toch plij dat dit engeltje Liezeken is.

Ontgoocheld en gelukkig, geraakt hijstillekens in slaap, terwijl moeder borduurt en zingt.

66

Sluiten