Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roerloos stijf lijf, en als de morgen kwam wist ze dat hij dood was. Ach, hij was toch zoo goed en schoon geweest. Meer vreugde dan die paar dagen spel met hem in het woud, had ze nooit gekend, dat slapen op zijn breeden schouder als op een kussen, dat eten van een door hem gevangen en over hout gebraden patrijs, dat eeuwig afwisselend lied der zevenpijp, die liefde, die woorden, het was een blinkend feest geweest. En al snikkend strooide ze dorre bladeren over Zijn lijf, kuste nog eens zijn koude, purperen lippen, borg den mond onder aarde weg, en plantte aan het hoofd van den laatsten sater, een kruisken van twee stokskens hout, bijeengebonden met het wit binnenvel van boomenschors.

Toen wierd ze bang, voelde de stilte en de eenzaamheid en liep in de richting van de zon tot ze aan de Nethe kwam.

Als ze haar eindelijk zagen, kwam heel het dorp haar toegeloopen, kloeke kerels zwommen over en brachten haar bij heur ouders. Maar hoe ontzet was iedereen, als ze daar zwijgend stond en met een zee van verdriet en verlangen in heur groote oogen, naar de Begijnenbosschen keek.

„Z'is zot, z'is zot geworden!"

Het onnoozel meideken hoedde weer de ganzen, dat was 't eenige wat ze nog kon, en altijd voerde zij ze naar den Nethedijk. Zij zette zich tegenover de donkere bosschen neer, en vlocht kroontjes van de wilde bloemen, die ze dan zoo

147

Sluiten