Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

nog één opmerking ter voorbereiding. Fröbel is een zeldzaam voorbeeld van iemand, die zich zelf steeds gelijk is gebleven en wiens gedachten, die zich trouwens in betrekkelijk kleinen kring bewegen, één hecht aaneengesloten geheel vormen. Weliswaar vertoont zijn uitwendig leven, ten minste tot 1837, een zekere ongedurigheid en ongestadigheid, die op inwendige disharmonie schijnt te wijzen, maar Fröbel zelf zou op die bedenking geantwoord hebben: „dat is immers juist wat ik u altijd heb voorgehouden, n.1. dat het uitwendige altijd het tegengestelde van het inwendige is, en dat de eenige ware beoordeeling der dingen de cönïrasteerende is, n.1. zulk eene, die van het uiterlijk besluit tot het tegenovergestelde innerlijke". Inderdaad is het waar, wat hij op het eind van zijn leven in den reeds aangehaalden brief schrijft: „mijn eigendommelijkheid, of wil men liever, mijn persoonlijke wereld- en levensbeschouwing, waarop in den grond toch alles aankomt en uitloopt, was reeds geworteld en bepaald in mijn kindsheid en jongelingsontwikkeling". Uit de stukken blijkt, dat de hoofdlijnen dier wereld- en levensbeschouwing reeds op zijn 25e jaar getrokken waren en sedert niet zijn veranderd. En toen was het reeds twee jaar geleden, dat hij het beroep had gevonden, waarvoor hij blijkbaar in de wieg was gelegd, en waarin hij, zooals hij aan zijn broeder schreef, zich zoo wel en thuis gevoelde als een vischje in de zee, dat van leeraar en opvoeder, zoodat men waarlijk niet kan zeggen, dat de jaren van onzeker tasten en onklaarheid omtrent zijn levensbestemming buitensporig lang hebben geduurd. Dat in dat beroep nog jaren lang een innerlijke ohvoldaanheid hem voortdreef om het telkens ergens anders te zoeken, is bij een hooge opvatting juist van dat beroep niet meer dan natuurlijk en moet in zijn geval bovendien vooral worden toegeschreven aan den van binnen uit krachtig maar moeilijk werkenden scheppingsdrang om zijn denkbeelden uitwendige gestaltenis te geven; evenzoo de betrekkelijke rust, die later over hem komt, aan de bevrediging, dat hem dit althans eenigermate en opeen bepaald terrein gelukt was. Men dwaalt echter zeer, wanneer men meent, dat hij in 1837 met het denkbeeld van de kleinkinderschool als met iets nieuws voor den dag is gekomen, of wanneer men al te letterlijk geloof slaat aan zijn eigen verhaal

Sluiten