Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

hankelijkheidszucht gepaard gaat en zich daaronder verbergt een intieme en sterke behoefte aan leiding, aan hulp, aan symphatie. Daarom is het eerste gevoel, dat den leeraar tegenover zijn leerlingen behoort te bezielen, dat van sympathie, van medelijden. Wat missen zij veel, wat hebben zij veel noodig en wat zitten zij zichzelf in den weg! Ja, het zijn vlegels en vlerken, maar in den grond toch trouwhartige, hulpbehoevende en hulpzoekende zielen; ja, zij zijn balsturig, altijd gereed de verzenen tegen de prikkelen te slaan en uit den band te springen, uiterlijk ontoegankelijk voor raad en vermaning, maar inwendig snakken zij er naar; ja, zij zijn tuk op hun onafhankelijkheid en willen op eigen beenen staan en o zoo gaarne laten zien, dat zij dat ook kunnen, maar op den bodem van hun hart ligt een stormachtige begeerte om zich aan iemand aan te sluiten, zich tegen iemand aan te leunen, zich aan iemand toe te vertrouwen; de behoefte om te bewonderen en te dweepen, ja blindelings te volgen met blijde overgave, is op dezen leeftijd minstens even sterk als de behoefte aan zelfstandigheid. En hoe dankbaar zijn zij aan elk, die aan die behoefte ook maar eenigermate tegemoet komt! O ik weet het, van die dankbaarheid is gewoonlijk weinig te bespeuren, want dat behoort ook tot de eigenaardigheden van dien leeftijd, zijn diepere gevoelens zoo min mogelijk te laten merken; maar daarom beroep ik mij op uw eigen herinneringen. Wie onzer herinnert zich den tijd niet meer, dat hij zelf zich zoo verlaten en eenzaam gevoelde, zoo onbegrepen, en erger, zoo verkeerd begrepen? Dat hij zich van iedereen terugtrok, en toch eigenlijk zoo'n innig verlangen in zich voelde om iemand zijn vertrouwen te schenken? Wij hadden onze ouders, en wij wisten wel, dat wij bij hen terecht konden, maar het was alsof een plotseling opgerezen scheidsmuur ons van hen scheidde. En zoo liepen wij rond, niet met onze ziel onder den arm, maar als met onze ziel in de hand, begeerig haar aan iemand aan te bieden, maar niemand wilde ze hebben, want niemand vond ze aantrekkelijk genoeg. Is dat ook niet de periode der heftige verliefdheden?

Welnu, in die periode verkeeren deze jongens en in dat licht moeten wij hen bezien. Het is een bodem, waaruit zeer vergiftige planten kunnen opwassen, maar ook de lieflijkste bloemen en de sappigste vruchten; en of het een of ander het geval zal

Sluiten