Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

Orooien post gevat. En dit is wel een specifiek duitsche opvatting (welker bestaan en heerschappij misschien weinigen buiten de ingewijden vermoedden, welker geweldige macht thans evenwel ieder met handen kan grijpen), maar zij verschilt toch niet principieel van elke andere opvatting, volgens welke de school is en gebruikt moet worden als een reusachtig propagandainstituut, en dat is het denkbeeld dat onder de leus „Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst" fortuin gemaakt heeft in de gansche wereld.

Zoodra nu de algemeene eisch was gesteld, dat het geheele volk schoolonderricht behoeft (waarin haast vanzelf lag opgesloten, dat de Staat in dezen een taak te vervullen heeft), was het onherroepelijk gedaan met de scheiding van onderwijs en opvoeding. Wij vinden dan ook reeds in onze oudste onderwijswetgeving de vermaarde „opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden" (art. 22 van het Reglement A van 1806).

Zoo was reeds in het begin der XlXe eeuw de vraag naar de verhouding van onderricht en opvoeding urgent geworden, en zij werd steeds dringender naarmate het volksonderwijs zich uitbreidde, waarmede geheel die eeuw gemoeid was, bijzonderlijk sedert de invoering van den leerplicht. Nijpend en kwellend was zij toen reeds lang geworden door de economische toestanden, die zich in den loop dierzelfde eeuw ontwikkeld hadden op een wijze, die voor gansche lagen der bevolking de huiselijke opvoeding tot iets haast ondoenlijks maakte. Althans zoo scheen en schijnt het velen.

In ieder geval is het practisch zóó, dat, terwijl het aantal niet schoolgaande kinderen tot een niet meer meetellend minimum is geslonken, voor honderdduizenden kinderen het zwaartepunt der opvoeding van huis naar school is verplaatst, en dat er geen schoolkind meer is, voor hetwelk niet, bij vroeger vergeleken, een goed deel der opvoeding naar de school is verhuisd.

Dezen toestand kan men uit paedagogisch en sociaal oogpunt vicieus achten — wat schr. dezes niet aarzelt te doen — hij is er nu eenmaal en doet, of wij het goedvinden of niet, zijn invloed machtig gelden — ook op het vraagstuk dat ons thans bezig houdt.

Uit deze gegevens vloeit een schoolstrijd als de onze met his-

Sluiten