Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

81

JAARTAL 1870

schuldig aan verstandsbeneveling der kinderen, die leiden kan tot wreede teleurstelling."

De Nieuwe Rotterdamsche Courant beaamde dit aldus: „De onderwijzer op de openbare school mag noch voor noch tegen de onsterfelijkheid partij trekken. Zoo min als eenig ander kerkelijk dogma behoort het leerstuk der onsterfelijkheid op de openbare school."

In de Tweede Kamer wenschte nu Mr. Heemskerk Azn. aan Minister Fock een vraag voor te leggen: „Zal men zoo ver gaan het Godsbegrip en het onsterfelijkheidsbegrip als dogma, als punten van verschil, te beschouwen? .... Mij dunkt, de openbare school heeft geen grooter vijanden, geen sterker ondermijners, geen gevaarlijker tegenstanders, dan de voorstanders, die de neutraliteit zoo ver zouden willen drijven. Het zou mij aangenaam zijn als de minister zijne gedachten daaromtrent wilde mededeelen, en als hij het met mij eens is, dan hoop ik, dat eene zoodanige yerklaring vrucht zal dragen, daar waar de Regeering haar invloed kan doen gevoelen, bijv. bij het schooltoezicht."

De Minister van Binnenlandsche Zaken gaf echter zeer omzichtig te kennen, dat hij het niet met den heer Heemskerk eens was. Hij antwoordde hem met de wedervraag: „Is het wenschelijk hier de vraag te behandelen of op eene school met kinderen van 6 tot 12 jaren de onsterfelijkheid al of niet als dogma moet worden behandeld?"

Dit merkwaardig incident lokte veel geschrijf uit in de dagbladpers. Liberale bladen bevestigden het gevoelen van den Minister, dat het onderwijs in de leer der onsterfelijkheid niet op de openbare school behoorde, terwijl conservatieve en ultramontaansche organen tegen die meening opkwamen.

Met het oog op deze discussie leverde nu Dr. Kuyper in De Heraut van 24 December 1869 een breedvoerig en diep doordacht betoog, gesplitst in drie deelen:

I. De minister en de radicale pers hadden onloochenbaar recht in hun beweren.

Immers, wij hebben een wet, een schoolwet, en naar die wet moeten we hier oordeelen. Zij weert van de school wat andersdenkenden ergert, en zij laat toe, wat niemand ergert. Maar als men nu toestaat, dat op die onzijdige en kleurlooze school over de onsterfelijkheid der ziel zal gesproken worden, dan zal de onderwijzer, wegens de verschillende beschouwingen over dit 6 K.-B.

Sluiten