Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1871

132

hunne theologie beide te beschouwen. Thans zit de strijd in het bloed. Ga slechts den woorden- en beeldenschat na, waarmede de schrijver van de Fata Morgana te tooveren weet, en ge bevindt, dat hij de geheele techniek van den wapenhandel machtig is, en ieder arsenaal en museum geplunderd heeft, om niet slechts met het geweer van den nieuweren tijd, maar ook met de speer, de kruisboog en knods van vroegere eeuwen den tegenstanders te treffen. Velen zullen hem hiervan een verwijt maken, inzonderheid zij, die geene sympathie des geestes voor hem gevoelen — zij moesten niet vergeten, dat de grond van dit alles niet slechts in persoonlijke eigenaardigheden, maar bovenal in den tijd is te vinden. Het is ons thans alsof wij uit eene bedompte kamer in den vroegen morgen buiten komen en de frissche morgenlucht opsnuiven, al hopen wij van harte, dat die lucht straks door de warmte der zon wat zal worden getemperd,"

Wat Dr. Hoedemaker hier opmerkt, had Dr. Kuyper zelf nog veel beter uitgedrukt in de inleiding van zijn lezing — een apologie voor den ridderlijken strijd:

Ge kunt niet uit uw tijd loopen, maar moet dien nemen gelijk hij is, en die tijd eischt nu eenmaal dat men öf de vastigheid van zijn geloof zal loswrikken, öf er den strijd voor aanbinden, — en bij zulk een keuze weet immers de besliste in overtuiging zelfs niet wat aarzeling is.

Zoo spreekt het geloof, en de geest van onzen tijd dringt dien eisch aan, en prikkelt op zijn beurt tot dit zelfvertrouwen, mits het ernstig zij gemeend. Wel hebben de mannen van het vernis en het pleister zich lang en dapper geweerd om, kunstig en behendiglijk, alle spleet en scheur in ons samenleven te bedekken, maar ze hebben er geen eer meê ingelegd, en ten leste had zelfs de minst ernstige van dat behendig knutselen genoeg. Men wil thans die „doofpottaktiek" niet meer. Ze hebben uit, de wittebroodsweken der geestelijke onaandoenlijkheid. We hebben ten leste geleerd, dat die conventioneele vorm een grafzerk is en geen schild. Er is ons weer moed in het bloed, weer gloed in het matte oog gevaren. We durven het weer natuurlijk vinden, dat men zijn tegenstanders nietssparend in het harnas rijdt. Ja, zóóver zijn we reeds, dat men al meer zelfs de symphathie verbeuren zou der wakkere geesten, zoo men thans nog voorgaf, den Christus naar de Schriften te belijden en toch den strijd met het modernisme meed.

Sluiten