Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

Sedert de laatste eeuwen was in Zuid-Limburg geen volk, dat zich in grooter belangstelling mocht verheugen dan de Bok kenrijders.

Hunne geheimzinnige organisatie, hunne duistere onopgehelderde misdaden, eindelijk hun tragisch einde door pijnbank, vuur, rad of galg deden hen in de herinnering onzer voorouders, meer dan andere gebeurtenissen, langen tijd voortleven, borgen echter ook in zich de stof voor rijken opsmuk van verhalen en voor ongebreidelde fantasieën.

Vooral de roman van Ecrivisse „De Bokkenrijders", welke als steunend op zuivere historie zich aandiende, maakte de geschiedkundige kern van de wonderbare verhalen der Bokkenrijders schier onvindbaar, droeg echter stellig er toe bij om de belangstelling voor deze gevreesde bende wakker te houden en het veld der fantasieën te verruimen, zoodat zij zelfs, buiten de grenzen onzer provincie, aan prozaschrijvers en dichters stof leverde voor allerlei geschrijf.

In tegenstelling hiermede bleef de historische bronnenstudie der bende bijna geheel achterwege en verscheen, naast de bekende kroniek van Pastoor Daniëls van Schaesberg, en de aanteekening van Pastoor Thimister, alleen de studie van Pastoor Michel van Kohlscheidt in „die Beitrage der Achener Geschichtsverein" van 1882.

Hoe belangrijk deze studie ook zijn moge voor het land van 's Hertogenrade, toch vinden wij er slechts sporadisch gegevens in over de bende, die, circa het jaar 1740, het land van Valkenburg en speciaal het Oostenrijksche gedeelte tot terrein harer nachtelijke operatiën gekozen had en wier wandaden nog voortleven in de volksverhalen als over: Jonker het Gravelke, den Keukelaer van Hommert met zijn keukeltasch, over Geerlingske

V

V

Sluiten