Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sall worden afgebroken omdat het gediend heeft tot schuilplaats van dieven en schelmen."

En zoo gebeurde het, dat op 17 December van het jaar 1743 eene groote volksmenigte op den Danekerberg en langs den Kooiweg den somberen stoet zag naderen van schout en schepenen en talrijke schutten, bewapend met sabels en snaphanen, onder de doffe toonen van den treurmarsch der trommels, begeleidend den met rouw omfloersten wagen, waarop zaten de ter dood veroordeelde bandieten: Joês C. den ouden speelman met zijn zoon Henske, Joês Sch. Hendrick W. en Anton W., onmiddellijk gevolgd door een paar priesters en eene groote' menigte volks. De stoet maakte halt op den Danekerberg alwaar de menigte, onder directie van den gerechtsbode, zich schaarde in eenen kring rondom de gereed staande worgpalen, brandstapel ën strafgereedschappen. De schout, schepenen en griffier traden naast de veroordeelden in het midden. Op een teeken van den schout roffelden de tamboers. De scherprechter met zijn rakkers traden naar voren en de griffier las de doodvonnissen voor. De priesters spraken een laatste woord van troost tot hen, die de mis laden met hun leven gingen boeten. Een laatste teeken van een schout en het vreeselijk vonnis der gerechtigheid was weldra

aan de 5 eerste bandieten van Schinnen ten uitvoer gelegd

Een aanteekening door den griffier op den rand van het vonnis is voor het nageslacht het bewijs van overlijden.

Zoodra de arrestatie van groote misdadigers plaats had, werden hun goederen in arrest gelegd om daarop de kosten, na vonnis, te verhalen. De goederen werden dan ten overstaan der schepenen verkocht. Dit zal ook wel de reden zijn, dat de schepenen dikwijls voor „schelmen" (te Geleen gold toen de scheldnaam van „hapscharn") werden uitgescholden. Naar gelang de opbrengst was, lieten zij zich betalen. Dit had echter ook ten gevolge, dat bij executie van arme lieden niets of niet veel te verhalen was. Weshalve de Staeten des landts Valkensbergd de volgende regeling gedecreteerd hadden.

„Die Heeren Staeten deeses landts Valckenberg hebbende tot gemeene welvaert ende tot conservatie van de publijcke ruste goedt gevonden bij recess te verclaeren, dat de noodighe costen te emploijeeren tot extirpatie van de talrijcke ende schroem-

44

Sluiten