Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wolspinder oudt omtrent de seven a acht en twintigh jaeren, cleen van postuijr eenen danzer en eenen grooten suijper.

Henri GI. beeedigd door Wijn. W. te Wolfhagen, wonende te Geleen verklaart, in de gevangenis te St. Jansgeleen op 16 April 1751 voorde schepenbank van Geleen bestaande uit drossaard Geurts» Zelis, Claessens, Banens en Bormans na 21/2 uur op den stoel van tortuur te zijn geweest, dat Michiel Hennix mede gedetineerd hem aengemaent heeft te revoceeren zijne respondeeringhen bij scherpe examinatie op 25 Januari en hem geraden, zoo hij nogmaals op de tortuur zouden komen, alsdan te noemen de schepenen en andere eerlijke personen, waernaer des gedetineerdens voeten van den stoel van tortuur losgelaeten sijnde, hij verclaert te blijven bij zijne respondeeringhen van 25 Januari, soowel wat betreft de diefstallen Gadé als Petri, verclaert verder dat hij 's avonds van den diefstal Gadé, hij met sijn swager Johan B. van Krawinkel, sijn swager Gerrit C. van Daneken ende Jöes R. alias de pijper van de Pesch, geweest sijn ten huijse van Leonardt van het Eijnde, slotmaker, wonende tusschen Reul Janssen en Hendrik Willems alwaer zij op order van de Gaverelle den eedt van getrouwigheijt deser bende hebben uijtgesworen, hebbende behalve genoemden deelgenomen aen diefstall „Gadè," Johannes uit de Peterstraat (Geleen) getrouwd met Jenne Zelis uit Einighausen deszelfs soonen Peter en Johannes, dat Gaverelle doens gekleed is geweest met eenen blauwen rock en soo hij vastelijck vermeent met eene hoedt met een gouden boordt ende gearmeert met eene flinte ende eenen hertsfenger op zijne sijde, den genoemden Jhr. Duprez met eenen vaelachtighen laecken rock aen, sonder te weten hoe hij gearmeert was. Behalve hij beclaegde waeren in 't huijs aenwezig Antoon van de Wintraek, Jhr. de Gaverelle, G. Daniëls, Wijn W. gedetineerde tot Schinnen en den geëxecuteerden This Sw. van Puth. Hij kan evenwel niet seggen wie de dames Gadé mishandelt of gevaerlijck getracteert heeft, hebbende hij wel nochtans doens gehoort dat de Gaverelle aen voors. Geerling met Wijn W. van Wolfhaegen ordonneerde het schaep (kast) in die keucken staende op te slaen en het geit daeruijt te krijgen, seggende Gaverelle „ik weet daer is het geit in dat ik aen de Jouffrouwen overgetelt heb" als wanneer hij gedetineerde hoorde de Jouffrouwen so bitterlijck roepen ende kermen, is doens uijt het huijs gegaen

54

Sluiten