Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xvn

maar vooral haar schitterende, donkere oogen maakten diepen indruk op den enthousiasten dichter, zie II. 3.

Zij was muzikaal, danste uitstekend en schreef verzen. Het zou echter verkeerd zijn, alles wat wij over haar te lezen krijgen, als historisch te beschouwen; de fantasie en ook de regels der rèyvn spelen een groote rol.

Dat Cynthia, evenals Lesbia en Delia, een pseudoniem was, spreekt van zelf; de dichter wil aan Apollo herinneren, den jeugdig schoonen god, die tevens de beschermer der poëzie is; in werkelijkheid heette zij Hostia (Apuleius, ApoL 10, zie Tibullus' levensbeschrijv. p. XH, noot).

Vijf jaar lang was de dichter onder de toovermacht harer schoonheid (HL 25. 3):

quinque tibi potui servire fideliter annos, maar langzamerhand verkoelde zijn liefde en in de beide laatste gedichten van het 3de boek breekt hij geheel met haar.

Over den dichter zelf vernemen wij uit zijn eigen werken, dat hij bleek en tenger gebouwd was (I. 5. 21. 22) : nee iam pallorem totiens mirabere nostrum, out cur sim toto corpore nullus ego.

Met zijn zwakke gezondheid hangt het ongetwijfeld samen, dat de toespelingen op „dood", „begrafenis", „onderwereld" zoo talrijk zijn.

Tot zijn vrienden behoorden Ovidius, die in zijn autobiografie (Trist IV. 45. 46) vertelt:

saepe suos solitus recitare Propertius ignes, iure sodalicii qui mihi iunctus erat,

Pontieus, de dichter eener Thebais (zie Prop. L 7), Bassus, een iambisch dichter, Maecenas en Vergilius, op wien Propertius een lofzang schreef (IL 34 61—85).

Ter beantwoording der vraag, wanneer elk der vier boeken ontstond, hebben wij, wat het 2de, 3de en 4de boek betreft, eenige vaste punten.

Voor het tweede boek hebben wij 3 gegevens:

lc het 31ste gedicht ter eere van de opening van den Apollotempel in 28 v. Chr.

2° het ÏO* gedicht doelt op de nog niet begonnen Arabische