Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54

dat een der gendarmes uit het hoekje bij het luik een knoop te voorschijn haalde, met een kleine verscheurd lapje goed er aan, en ik hoorde, dat hij zei: „Dat is een knoop van een jongensbroek, .... spreek op, schoolmeester, hoe komt die hier? Je liegt, als je zegt, dat je niet weet, waar de kleine schelm is....""

Jan keek naar zijn broek en zag nu eerst dat een der knoopen bij de knie afgerukt was en een stukje goed had meegescheurd. 't Was zeker gebeurd bij 't snelle opspringen tegen 't venster.... „Ja, tante, die was van mij, kijk maar...."

„En toen gaf de commissaris dadelijk bevel aan twee van zijn dienaars het dak op te gaan, om je te zoeken, want hij begreep, dat je daarheen was weggevlucht, en hij dacht ook, dat grootvader je erheen had gestuurd. Hij was vreeselijk nijdig op grootvader.... O Jan, leelijke waaghals, wat schrok ik, yr&t was ik kwaad op jou; jongen nog toe, wat heb je me...."

„Die nare knoop," bromde Jan, „die verraadde nou alles, en nou had die slimme grootvader zich zoo goed gehouden."

„Wat heb je me bang gemaakt! Ik beefde op mijn beenen, en toen de gendarmes niet dadelijk terugkwamen, ben ik naar beneden gehold, want ik dacht vast en zeker, dat je hier op het binnenplaatsje al te pletter lag gevallen. Waar heb je toch gezeten? Dat had je niet moeten doen, domme jongen, waaghals; als je nu eens gevallen was, en je had zoo gemakkelijk kunnen vallen,.... foei!.... Of neen, 't was toch ook maar goed, 't was toch dapper van je. .. . maar je moet het nooit meer doen, hoor, 't is zoo gevaarlijk!"

„Was grootvader ook bang? Heeft hij niets gezegd?"

„Grootvader.... Hij scheen ook wel erg geschrokken van je waaghalzerij; ik zag, hoe hij op zijn lippen beet om zijn schrik meester te blijven. Eindelijk zei hij: „Ik weet niet waar de jongen is; als je hem hebben wilt, zoek hem dan maar".... Toen keek hij mij even aan, en zijn oogen waren zoo angstig, alsof hij zeggen wilde: „Als hij maar niet doodgevallen is. . . ." En ik zag ook, dat grootvader in stilte voor je bad, Jan. ... Je was ook zoo'n waaghals, leelijke jongen! Ik heb ook voor je gebeden, hier in de kamer, toen ik je niet op de binnenplaats vond, want ik dacht vast en zeker, dat je dan toch ergens anders lag neergesmakt. Hè, ik kan er nog van rillen, als ik er aan denk. Ik klom voor nog zooveel niet op 't dak...."

Jan glimlachte even bij de gedachte, dat zijn dikke tante Lena,

Sluiten